| | Apporteerwerk |  |
 |
Nadat kleinwild geschoten is moet het geapporteerd worden als het op een voor de mens moeilijk bereikbare plaats ligt. Denk aan water, bosperceel of gewoon ergens in het veld maar je weet niet goed waar. Nog belangrijker is de nazoek op 'aangeschoten' wild, d.w.z. nog niet volledig dood wild.
Bij het apporteren moet de hond initiatief tonen tijdens het afzoeken van een terrein maar vooral onherroepelijk luisteren naar de voorjager en diens aanwijzing correct opvolgen.
|
Het apporteerwerk bestaat uit leervakken die ook een niet jachthond geleerd kunnen worden mits hij sociaal en leergierig is. We verwachten van de hond dat hij het geschoten en/of aanschoten wild ter hand stelt en niet beschadigt. Daarbij komen nog een aantal eigenschappen die we zeer op prijs stellen. Rust op post. Zoals op duivenjacht rustig in het hutje of achter het camouflagenet zitten, wachtend op het commando om te apporteren als er een duif geschoten is.
Of op een drijfjacht op fazanten of hazen rustig op post zitten, alert op al wat gebeurt. Niet piepen, niet bewegen want dat is voor hazen een reden een andere kant op te lopen.
Eigenschappen die zeer welkom zijn in de africhting van een hond voor apporteren en die bij een goede jachthond aanwezig behoren te zijn:
– Wil tot samenwerken met voorjager (sociaal en leergierig)
– Attentheid/ alertheid zonder nervositeit
– Goede neus
– Voldoende zelfstandigheid om wild na te zoeken buiten zicht van de voorjager
– Doorzettingsvermogen
– Waterwil
– Zacht in de bek (wild niet beschadigen)
|
 |
Hoe te testen?
In Nederland heb je de KNJV Jachthondenproeven en daarop volgend de MAP’s (Meervoudige Apporteer Proeven). Bij deze proeven wordt gewerkt met dood koud wild.
Daarnaast heb je nog de apporteerwedstrijd ter drijfjacht. Een daadwerkelijke jacht waarbij de honden op post zitten en geschoten wild binnen moeten brengen.
KNJV Jachthondenproeven
De KNJV jachthondenproeven zijn diplomadagen met gestandaardiseerde proeven op 3 niveau's. Het laagste niveau (C-diploma) bestaat uit 5 onderdelen waarbij getest wordt op algemene gehoorzaamheid, apport van een konijn te land, apport van een eend uit water en schotvastheid.
Het 2e niveau (B-diploma) bestaat uit alle onderdelen van het C-diploma plus 3 extra onderdelen. Deze zijn een apport uit dekking (vaak een bos) waarbij de hond op commando zelfstandig moet gaan zoeken en dan de vooraf weggelegde eend moet apporteren. Het markeerapport is een onderdeel waarbij je als voorjager met hond op post staat. De hond moet rustig zijn en alert. Hij mag niet inspringen (vertrekken voor dat jij het commando tot apporteren hebt gegeven). Zo’n 60m voor je staat iemand met geweer en een werper. Er klinkt een schot en de werpen gooit de eend op. De hond moet markeren, oftewel met zijn ogen de eend volgen, de plek onthouden waar deze gevallen is en er na jouw commando in een rechte lijn naar toe lopen en apporteren. Dan is er nog het apport over breed water, het laatste onderdeel van het B-diploma. De hond moet op commando een tenminste 15m breed water over zwemmen, aan de overkant zoeken en de vooraf weggelegde eend apporteren.
Het hoogste niveau van de KNJV jachthondenproeven is het A-diploma. Dit bestaat uit alle onderdelen van het C en B-diploma plus 2 extra proeven. De eerste is de dirigeerproef. Hierbij moet de hond ongeveer 100m recht vooruit gestuurd worden naar een vooraf bepaald stoppunt. Op dat stoppunt moet hij op commando gaan zitten. Daarna moet hij haaks op de eerste lijn naar de valplek gestuurd worden en daar zelfstandig de vooraf neergelegde duif apporteren. Als je de dirigeerproef gehaald hebt mag je door naar de sleepproef. Deze proef simuleert een loopspoor van aangeschoten wild. Aan de overkant van een tenminste 15m breed water is een 150 tot 300 lange sleep getrokken met een eend. Deze sleep moet de hond met de neus uitwerken en is daarbij buiten zicht van de voorjager. Heeft hij de eend gevonden dan moet hij die apporteren. Zo prompt en onzelfstandig als hij moest werken tijdens de dirigeerproef zo zelfstandig moet hij werken op deze sleepproef.
|
 |
Meervoudige Apporteer Proef
Dan zijn er nog de Meervoudige Apporteer Proeven (MAP’s). Dit zijn niet gestandaardiseerde opdrachten waarbij telkens 2 apporten binnengebracht moeten worden. De opdrachten benaderen meer de jachtpraktijk. Ook hierin heb je niveaus. Het MAP B-diploma bestaat uit 6 proeven met ieder 2 apporten waarbij een combinatie gemaakt wordt van alle onderdelen die in het KNJV C en B diploma voorkomen.
Voor het MAP-A diploma moet je 4 van de B proeven doen en 2 extra proeven met ook ieder 2 apporten op A niveau.
De MAP is niet een diplomadag zoals de KNJV proef maar bedoeld als wedstrijd.
Zowel op de KNJV proeven als op de MAP’s wordt gewerkt met dood, koud wild. Ze simuleren de jachtpraktijk maar toch kun je er niet van op aan dat als een hond een KNJV diploma of MAP diploma heeft hij ook goed zal acteren op jacht. De hond heeft een goede basis waarop voortgeborduurd kan worden. Hij kent de opdrachten, gaat op commando te water, is niet bang voor het schot en apporteert wild. Maar het zijn nog kunstjes. De hond mist nog jachtervaring om een goede bruikbare jachthond te worden. Wat je niet weet is of hij rustig is op post en de spanning van een jachtsituatie aan kan. Je weet ook niet of hij volhardend genoeg is om een aangeschoten eend, die telkens onderduikt een kwartier lang in het riet te achtervolgen tot dat hij ‘m uiteindelijk heeft. Je weet niet hoe hij om zal gaan met warm, soms nog levend wild. Het is niet de bedoeling dat hij een loper, aangeschoten wild dat weggerend is, zelf dood maakt. Daarmee zou hij het wildbraad beschadigen. Hij moet het wild, zo snel mogelijk, nog levend ter handstellen zodat de jager het dier snel uit zijn lijden kan verlossen.
Zowel de KNJV Jachthondenproeven als de Meervoudige ApporteerProeven zijn ORWEJA gereglementeerd en worden beschreven in het Reglement Jachthondenproeven
|
 |
Apporteerwedstrijd ter drijfjacht
Een andere wedstrijdvorm is de apporteerwedstrijd ter drijfjacht. Dit een daadwerkelijke jacht waarbij de honden in de nabijheid van een geweer op post zitten. Er gaan drijvers door het veld en het wild wordt geschoten. De keurmeester wijst aan welke hond uitgezonden mag worden om een geschoten stuk wild te apporteren. Je mag zelf niet van je post af en moet de hond naar het betreffende apport toesturen. Het is dus zaak dat jij en je hond heel goed opletten en onthouden waar het wild viel en of het direct dood was of dat het waarschijnlijk weggelopen is. Weggelopen (aangeschoten) wild moet uit weidelijkheidsoogpunt als eerste binnen komen. De hond moet rustig zijn op post, alert, goed markeren, goed dirigeerbaar zijn en genoeg zelfstandigheid hebben om op grote afstand een perceel zelfstandig af te zoeken.
Deze wedstrijdvorm is eigenlijk puur voor Retrievers, maar in Nederland worden ook Staande honden, zoals de Cesky Fousek, toegelaten. Het niveau wat gevraagd wordt op een apporteerwedstrijd moet je niet onderschatten. Het ligt op KNJV A niveau en hoger. Het niveau ligt ook vaak ver boven de normale jachtpraktijk aangezien je op jacht vaak je post verlaat om wild samen met de hond na te zoeken.
Ook de apporteerwedstrijd ter drijfjacht is ORWEJA gereglementeerd in het Algemeen Veldwedstrijd Reglement supplemenent Retrievers
|
 |
 |
|
|
|